Niveau 6 · Lead & theorie · 15 minuten per dag, 1-2 weken
Waarom akkoorden bij elkaar horen
Net genoeg theorie om zelf schema’s te bouwen, songs te doorzien en met andere muzikanten te praten. Geen notenschrift nodig.
Van toonladder naar akkoorden
Elke majeurtoonladder levert zeven akkoorden op: bouw op elke trap van de ladder een akkoord door steeds een noot over te slaan. In C majeur krijg je dan: C – Dm – Em – F – G – Am – Bdim. Muzikanten nummeren die trappen met Romeinse cijfers: I – ii – iii – IV – V – vi – vii°. Hoofdletters zijn majeur, kleine letters mineur.
Dit verklaart het 4-akkoordenschema: dat is gewoon I – V – vi – IV. In C: C – G – Am – F. In G: G – D – Em – C. Zelfde recept, andere toonsoort.
Intervallen: de afstandjes
Een interval is de afstand tussen twee noten, geteld in frets (halve tonen). De belangrijkste drie voor nu: de grote terts (4 frets — het "vrolijke" verschil), de kleine terts (3 frets — het "droevige" verschil) en de reine kwint (7 frets — de stevige basis van je powerchord).
Majeurakkoord = grondtoon + grote terts + kwint. Mineurakkoord = grondtoon + kleine terts + kwint. Dát ene fretje verschil tussen groot en klein is het hele verschil tussen E en Em dat je in niveau 2 al hóórde.
Zelf schema’s bouwen
Kies een toonsoort, pak de zeven trappen en combineer: I–IV–V (blues en rock-'n-roll), I–V–vi–IV (pop), ii–V–I (jazz), vi–IV–I–V (ballads). Gebruik de fretboard-verkenner om te zien welke noten bij je toonsoort horen.
Oefening: Bouw en speel
- 1 Schrijf de zeven trappen van G majeur op (G – Am – Bm – C – D – Em – F#dim).
- 2 Speel I–V–vi–IV in G en herken: dit ken je al uit niveau 4!
- 3 Bouw een eigen schema van vier trappen, speel het en geef het een naam.
- 4 Doe hetzelfde in de toonsoort C. Vergelijk hoe dezelfde trappen anders klinken.
Veelgemaakte fouten
- Theorie los van de gitaar leren: elk begrip meteen spélen is de enige manier waarop het blijft hangen.
- Alles tegelijk willen snappen: trappen + tertsen is genoeg voor maanden muziek.
Klaar voor de volgende stap wanneer…
- Je bouwt in elke van de toonsoorten G en C een kloppend vier-akkoordenschema.
- Je hoort en benoemt het verschil tussen een majeur- en mineurakkoord.